
Op 1 oktober 1946 las het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg de laatste vonnissen voor. Twaalf topnazi’s kregen de doodstraf, drie levenslang, vier een gevangenisstraf en drie werden vrijgesproken. Voor Nederland was vooral Arthur Seyss-Inquart, de voormalige rijkscommissaris in Den Haag, het gezicht van die dag.
In het Paleis van Justitie in Neurenberg zit een volle zaal stil. Op de banken zitten mannen die jarenlang bevelen gaven over oorlog, bezetting en vervolging. Voor hen zitten rechters uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie. Het is 1 oktober 1946, de tweede dag waarop het tribunaal zijn oordeel voorleest. Na bijna een jaar proces, meters documenten en tientallen getuigen is het moment daar: de wet spreekt. Buiten Europa liggen steden nog in puin, en in Nederland is de herinnering aan bezetting en hongerwinter nog vers. Wat hier gebeurt, voelt voor velen als een nieuw soort recht: niet alleen wreken, maar ook vastleggen welke misdaden nooit meer zonder naam mogen blijven.
Van Londen naar de Paleiszaal
Het Internationaal Militair Tribunaal, kortweg IMT, kwam voort uit het Verdrag van Londen van 8 augustus 1945. Daarin spraken de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie af dat de hoogste nazi-leiders samen berecht zouden worden. Het proces begon op 20 november 1945 in Neurenberg, een stad die eerder bekend stond om de nazi-partijdagen. De aanklacht noemde vier soorten misdrijven: samenzwering, misdaden tegen de vrede (agressieoorlog), oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid. Het National WWII Museum en de Holocaust Encyclopedia van het USHMM beschrijven hoe de vier grootmachten elk een rechter en een aanklager leverden. De Amerikaanse hoofdaanklager Robert H. Jackson, een voormalig rechter van het Amerikaanse Hooggerechtshof, noemde het proces in zijn opening het eerste in de geschiedenis waarin misdaden tegen de wereldvrede werden berecht.
Vierentwintig mannen stonden op de aanklacht. Eén van hen, Robert Ley, doodde zichzelf in de cel voor de start. Industriële Gustav Krupp was te ziek om terecht te staan. Martin Bormann, een van Hitlers dichtste medewerkers, werd bij verstek berecht. Uiteindelijk stonden dus tweeëntwintig beklaagden op de rol van het vonnis.
Het Memorium Nuremberg Trials, het museum over het proces in Neurenberg zelf, zet de uitslag helder op een rij: twaalf doodstraffen, drie levenslange straffen, vier gevangenisstraffen van tien tot twintig jaar, en drie vrijspraak. Vrijgesproken werden Hans Fritzsche, Franz von Papen en Hjalmar Schacht. Onder de veroordeelden waren Hermann Göring, Wilhelm Keitel, Joachim von Ribbentrop en Albert Speer. Het tribunaal verklaarde ook delen van het nazi-apparaat crimineel, waaronder de leiding van de NSDAP, de Gestapo, de SD en de SS.
Nederland, Seyss-Inquart en de erfenis
Voor Nederland was één naam onmisbaar: Arthur Seyss-Inquart, de Oostenrijkse jurist die vanaf mei 1940 rijkscommissaris was van het bezette Nederland. Hij stond aan het hoofd van het burgerlijk bestuur in Den Haag en droeg verantwoordelijkheid voor terreur, dwangarbeid en de vervolging van Joden in Nederland. Het Nationaal Archief in Den Haag beschrijft hoe Nederland zich op 21 september 1945 aansloot bij het Verdrag van Londen, maar geen eigen hoofdaanklager mocht sturen: alleen de vier grote mogendheden hadden die plek. Baron A.M. van Tuyll van Serooskerken, een Nederlandse aanklager bij de Bijzondere Raad van Cassatie, werd toegevoegd aan het Franse team. Nederlandse topambtenaar H.M. Hirschfeld getuigde in Neurenberg over de bezetting. In zijn verslag schreef hij dat de zaal eerder aan een congres deed denken dan aan een gewone rechtszaak — rustig, georganiseerd, met alle beklaagden samen in de bank.
Op 1 oktober 1946 viel het oordeel. Seyss-Inquart werd schuldig bevonden aan oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid en kreeg de doodstraf. In Nederland leefde de angst dat hij er te licht vanaf zou komen; die vrees bleek ongegrond, schrijft het Nationaal Archief. Het vonnis was meer dan een straf voor één man. Het zette in internationale taal vast dat leiders persoonlijk verantwoordelijk kunnen zijn, ook als zij zeggen alleen bevelen te hebben uitgevoerd.
Later bouwden rechtbanken in Den Haag, Joegoslavië en Rwanda voort op die lijn. Critici zeiden destijds al dat het een zegeproces was van de overwinnaars. Voorstanders antwoordden: zonder dit proces zouden de misdaden sneller vergeten raken, en bleef de wet stil. Wat overblijft, is een dure les over recht na totale oorlog — en over de prijs wanneer staten te laat ingrijpen.
Als jij in 1946 in Nederland de radio had aangezet: had jij dit proces vooral als gerechtigheid of vooral als wraak van de winnaars gezien?

